Het was nog vroeg toen Kitty en ik op pad gingen. We hadden de nacht doorgebracht in een trekkershut. Vandaag zouden we een lastige klim langs een redelijk steile berghelling maken. Het mistte. Kitty en ik waren het stadsleven ontvlucht om samen van de natuur te genieten en zo weer wat leven te blazen in onze uitgebluste relatie. Waarom we precies de bergen gekozen
hadden is mij een raadsel. Misschien door de aantrekkingskracht, de spanning die ik meteen voelde toen de bergen voor mij opdoemden. Bergen hebben iets statigs, afstandelijks en daardoor iets ongelooflijk indrukwekkends. Ze stralen een kracht en onverzettelijkheid uit die je met de neus op je eigen sterfelijke nietigheid drukt.
Ook vandaag werden we er weer stil van. Maar toch kon dit ons slechte humeur niet verdrijven. Kitty en ik reageerden overdreven fel en negatief op elkaar. We maakten om het minste of geringste ruzie. Kitty kreeg daar schoon genoeg van en ging voor mij uitlopen. Ik volgde haar morrend.

Ik was het voorval echter snel vergeten. Ik voelde de kracht van de bergen op mij inwerken en zo verbeterde mijn humeur al snel. Fluitend liep ik door, totdat ik me aan mijn eigen fluittonen ging ergeren. Ik wilde de rust en de stilte op mij in laten werken en het overweldigende gevoel dat de bergen uitstraalden tot mij door laten dringen. Ik hield op met fluiten en stond stil. De mist trok maar zeer langzaam weg en ik kon nog steeds niet veel onderscheiden. Zo kon ik niet zien waar Kitty liep, maar dat interesseerde mij op dat moment weinig. Ik genoot van de omgeving die door de mist bijna geheel aan mijn zicht onttrokken was, maar die daardoor een mysterieuze en onheilspellende indruk op mij maakte.

Ruw werd ik tot de werkelijkheid teruggeroepen door de stem van Kitty die het  uitschreeuwde van de pijn. Ze riep me toe dat ze door haar enkel gezakt was. Haar  schrille stem onderbrak mijn samenspraak met de natuur. Snel rende ik naar haar toe om  te helpen. De rest van de dag zou ik haar moeten ondersteunen.  Kitty jengelde als een klein kind. Ze had pijn en ze vond zichzelf erg zielig. Ik probeerde  mijn humeur te bewaren. Mijn geduld raakte echter snel op en ik voelde een onredelijke  woede in mij opkomen. Ik stelde voor om even te rusten en ging mijn benen strekken. Ik
ontdekte dat we vlak bij een afgrond zaten. Als ik niet goed had opgelet was ik misschien  naar beneden gestort. Op dat moment kwam er een gedachte in mijn hoofd op. Een  gedachte die ik meteen weer verwierp.

Het werd tijd om verder te gaan. De mist begon nu echt weg te trekken. De omgeving  werd minder nevelig en we konden het landschap in al haar schoonheid op ons in laten  werken. De bergen zagen er angstaanjagend uit in het gedempte licht dat de mist had  vervangen en de ravijnen leken dieper dan ze in het echt konden zijn. We kwamen nu bij  het gevaarlijkste stuk van de klim, waarvoor we in onze reisgids gewaarschuwd waren.  Nog steeds ondersteunde ik Kitty. Dit ongemak en het feit dat we de hele dag nog geen  mensen waren tegengekomen versterkten het idee dat zich in mijn hoofd gevormd had.  Het vulde mijn hele gedachtengang en ik kon het niet meer onderdrukken. Het was alsof  er een stem in mij riep ‘Doe het dan!’.

Bij de volgende rustpauze zette ik Kitty op een afgeplat rotsblok neer en begon de  omgeving te verkennen, totdat ik de plek vond die ik had gezocht. Ik haalde Kitty, terwijl ik  haar enthousiast vertelde over de mooie bloem die ik haar wilde laten zien. De bloem was  moeilijk te zien, maar ik zou haar stevig vasthouden. Er kon haar niets overkomen.

Meer dan een klein duwtje kan het niet geweest zijn. Ik had het gevoel dat ik werd  gedreven door een kracht buiten mij. Alsof de bergen bezit van mij hadden genomen en   mij dwongen haar naar beneden te duwen. Ze gilde. Daar had ik op gerekend. De schreeuw die door de stilte brak kon mij echter niet  tot bezinning brengen. Ik had gedacht dat ik iets zou voelen, spijt of berouw of pijn. Maar ik  voelde niets. Behalve opluchting. Ik snoof de frisse berglucht op en begon aan het laatste  stuk van de klim.

In de volgende trekkershut belde ik de bergingstroepen. Zij was verzekerd en alles zou  betaald worden. Ook haar terugkeer naar Nederland. Daar hoefde ik mij niet druk om te  maken. Alles wat ik moest doen was de zielige vriend spelen die door een tragisch ongeval zijn vriendin had verloren. Makkelijk zat.  Dit gebeurde allemaal een jaar geleden. Ik moest er nu weer aan denken, omdat ik weer  reisplannen heb. Volgende week ga ik met Mascha naar de bergen.
(gepubliceerd in Schakeringen, 1992, uitgeverij De Vleermuis)

Print Friendly, PDF & Email